A1 · Verbs
Werkwoorden met een lidwoord
Verbs that take a definite article: iets, iemand, niets.
- Ik ___ iets in de keuken ruiken. (ruiken)
- ___ belt er aan de deur? (bellen)
- Er is ___ thuis. (zijn)
- Hij ___ niets zeggen. (willen)
- Wij ___ iets te drinken hebben. (hebben)
- Er staat ___ voor de deur. (staan)
- Mijn broer ___ veel van jouw vriend. (houden)
- Heb je ___ voor mij? (hebben)
- ___ wil een kopje koffie? (willen)
- Ik ___ hier niets begrijpen. (kunnen)
- Zij ___ de hele ochtend iets voor de kinderen klaargemaakt. (klaarmaken)
- Er ___ vanavond niets te doen. (zijn)