Learn Dutch
A1 · Verbs

Werkwoorden met een lidwoord

Verbs that take a definite article: iets, iemand, niets.

  1. Ik ___ iets in de keuken ruiken. (ruiken)
  2. ___ belt er aan de deur? (bellen)
  3. Er is ___ thuis. (zijn)
  4. Hij ___ niets zeggen. (willen)
  5. Wij ___ iets te drinken hebben. (hebben)
  6. Er staat ___ voor de deur. (staan)
  7. Mijn broer ___ veel van jouw vriend. (houden)
  8. Heb je ___ voor mij? (hebben)
  9. ___ wil een kopje koffie? (willen)
  10. Ik ___ hier niets begrijpen. (kunnen)
  11. Zij ___ de hele ochtend iets voor de kinderen klaargemaakt. (klaarmaken)
  12. Er ___ vanavond niets te doen. (zijn)