Learn Dutch
A1 · Verbs

Betalen en de prijs

Paying, costing and asking the price.

  1. Ik ___ vijftien euro voor de schoenen. (betalen)
  2. Hoeveel ___ dit boek? (kosten)
  3. Mijn dochter ___ voor haar fiets. (betalen)
  4. Deze jas ___ tweehonderd euro. (kosten)
  5. Wij ___ samen voor het eten. (betalen)
  6. Waarom ___ dat zo duur? (kosten)
  7. Ik ___ niet met mijn creditcard. (kunnen)
  8. De prijzen ___ elk jaar een beetje. (stijgen)
  9. U ___ bij het station parkeren. (kunnen)
  10. Mijn vader ___ de rekening altijd zelf. (betalen)
  11. De huizen ___ in deze straat veel geld. (kosten)
  12. Ik ___ je een keer terugbellen. (willen)