A1 · Verbs
Betalen en de prijs
Paying, costing and asking the price.
- Ik ___ vijftien euro voor de schoenen. (betalen)
- Hoeveel ___ dit boek? (kosten)
- Mijn dochter ___ voor haar fiets. (betalen)
- Deze jas ___ tweehonderd euro. (kosten)
- Wij ___ samen voor het eten. (betalen)
- Waarom ___ dat zo duur? (kosten)
- Ik ___ niet met mijn creditcard. (kunnen)
- De prijzen ___ elk jaar een beetje. (stijgen)
- U ___ bij het station parkeren. (kunnen)
- Mijn vader ___ de rekening altijd zelf. (betalen)
- De huizen ___ in deze straat veel geld. (kosten)
- Ik ___ je een keer terugbellen. (willen)