Learn Dutch
A1 · Verbs

Hopen: what you wish for

Hoping, wishing and dreaming about the future.

  1. Ik ___ dat je zaterdag komt. (hopen)
  2. Mijn ouders ___ dat ik goed slaap. (hopen)
  3. Ik ___ je een fijn verjaardag! (wensen)
  4. Zij ___ van een eigen huis. (dromen)
  5. Wij ___ dat het mooi weer wordt. (hopen)
  6. We ___ je het beste met je nieuwe baan. (wensen)
  7. Mijn dochter ___ dat ze een hond krijgt. (hopen)
  8. Hij ___ van een eigen bedrijf. (dromen)
  9. Ik hoop dat ik volgend jaar ___. (verhuizen)
  10. Wij ___ jullie een fijne vakantie! (wensen)
  11. U ___ het beste met het examen. (wensen)
  12. Ik ___ niet dat het regent. (hopen)