A1 · Verbs
Hopen: what you wish for
Hoping, wishing and dreaming about the future.
- Ik ___ dat je zaterdag komt. (hopen)
- Mijn ouders ___ dat ik goed slaap. (hopen)
- Ik ___ je een fijn verjaardag! (wensen)
- Zij ___ van een eigen huis. (dromen)
- Wij ___ dat het mooi weer wordt. (hopen)
- We ___ je het beste met je nieuwe baan. (wensen)
- Mijn dochter ___ dat ze een hond krijgt. (hopen)
- Hij ___ van een eigen bedrijf. (dromen)
- Ik hoop dat ik volgend jaar ___. (verhuizen)
- Wij ___ jullie een fijne vakantie! (wensen)
- U ___ het beste met het examen. (wensen)
- Ik ___ niet dat het regent. (hopen)