Learn Dutch
A1 · Verbs

Ontmoeten en samen doen

Meeting people and doing things together.

  1. Ik ___ graag vrienden. (ontmoeten)
  2. Mijn oma ___ ons elk weekend. (bezoeken)
  3. Wij ___ jou voor het diner uit. (uitnodigen)
  4. Zij ___ haar vrienden vaak. (zien)
  5. Ik ___ je morgen op het station. (ontmoeten)
  6. Mijn vader ___ graag schaak met zijn vrienden. (spelen)
  7. We ___ elkaar al tien jaar. (kennen)
  8. De klas ___ morgen op school bij. (zijn)
  9. U ___ ons graag op de markt. (ontmoeten)
  10. Mijn neef ___ in Antwerpen. (wonen)
  11. Ik ___ niet graag alleen thuis. (zijn)
  12. Wij ___ een uitje naar de kust. (plannen)