A1 · Verbs
Ontmoeten en samen doen
Meeting people and doing things together.
- Ik ___ graag vrienden. (ontmoeten)
- Mijn oma ___ ons elk weekend. (bezoeken)
- Wij ___ jou voor het diner uit. (uitnodigen)
- Zij ___ haar vrienden vaak. (zien)
- Ik ___ je morgen op het station. (ontmoeten)
- Mijn vader ___ graag schaak met zijn vrienden. (spelen)
- We ___ elkaar al tien jaar. (kennen)
- De klas ___ morgen op school bij. (zijn)
- U ___ ons graag op de markt. (ontmoeten)
- Mijn neef ___ in Antwerpen. (wonen)
- Ik ___ niet graag alleen thuis. (zijn)
- Wij ___ een uitje naar de kust. (plannen)