A1 · Verbs
Feest vieren
Parties, birthdays and celebrating.
- Zaterdag ___ we de verjaardag van Lisa. (vieren)
- Ik ___ je een groot cadeau. (geven)
- Mijn vader ___ de vijfentwintig. (worden)
- Wij ___ de hele avond dansen. (gaan)
- De kinderen ___ liedjes zingen. (gaan)
- Alle gasten ___ om zeven uur komen. (moeten)
- Mijn zus ___ een taart bakken. (gaan)
- Mijn zus ___ heel graag op het feest. (zijn)
- Wij ___ een leuk feest gehad. (hebben)
- De muzikanten ___ vanaf acht uur spelen. (beginnen)
- Ik ___ jou graag iets vragen. (willen)
- De kinderen ___ heel blij met de traktaties. (zijn)