Learn Dutch
A1 · Verbs

Feest vieren

Parties, birthdays and celebrating.

  1. Zaterdag ___ we de verjaardag van Lisa. (vieren)
  2. Ik ___ je een groot cadeau. (geven)
  3. Mijn vader ___ de vijfentwintig. (worden)
  4. Wij ___ de hele avond dansen. (gaan)
  5. De kinderen ___ liedjes zingen. (gaan)
  6. Alle gasten ___ om zeven uur komen. (moeten)
  7. Mijn zus ___ een taart bakken. (gaan)
  8. Mijn zus ___ heel graag op het feest. (zijn)
  9. Wij ___ een leuk feest gehad. (hebben)
  10. De muzikanten ___ vanaf acht uur spelen. (beginnen)
  11. Ik ___ jou graag iets vragen. (willen)
  12. De kinderen ___ heel blij met de traktaties. (zijn)