A1 · Verbs
Op vakantie: reizen
Travel verbs: a journey, a holiday, a hotel.
- Wij ___ elke zomer naar Zuid-Frankrijk. (reizen)
- De trein ___ om half zes uit Amsterdam. (vertrekken)
- We ___ het hotel voor drie nachten. (boeken)
- Wij ___ in het hotel. (inchecken)
- Mijn ouders ___ in een klein hotel. (overnachten)
- Het vliegtuig ___ om tien uur in Schiphol aan. (aankomen)
- Zij ___ elk jaar in een ander land. (reizen)
- We ___ de bagage niet mee op de trein. (kunnen)
- Mijn vader ___ ons bij het station oppikken. (oppikken)
- Ik ___ graag een keer naar Canada. (willen)
- Onze reis ___ drie weken geduurd. (duren)
- Wanneer ___ jullie naar huis terug? (terugkomen)