Learn Dutch
A1 · Verbs

Op vakantie: reizen

Travel verbs: a journey, a holiday, a hotel.

  1. Wij ___ elke zomer naar Zuid-Frankrijk. (reizen)
  2. De trein ___ om half zes uit Amsterdam. (vertrekken)
  3. We ___ het hotel voor drie nachten. (boeken)
  4. Wij ___ in het hotel. (inchecken)
  5. Mijn ouders ___ in een klein hotel. (overnachten)
  6. Het vliegtuig ___ om tien uur in Schiphol aan. (aankomen)
  7. Zij ___ elk jaar in een ander land. (reizen)
  8. We ___ de bagage niet mee op de trein. (kunnen)
  9. Mijn vader ___ ons bij het station oppikken. (oppikken)
  10. Ik ___ graag een keer naar Canada. (willen)
  11. Onze reis ___ drie weken geduurd. (duren)
  12. Wanneer ___ jullie naar huis terug? (terugkomen)