Learn Dutch
A1 · Verbs

Tijd en klok

Verbs about time: waiting, being late, hurrying.

  1. Ik ___ al een uur op de bus. (wachten)
  2. De trein ___ te laat. (zijn)
  3. We ___ haast, want de bus komt om vijf minuten. (hebben)
  4. Mijn vader ___ elke dag op tijd. (komen)
  5. Die film ___ bijna drie uur. (duren)
  6. Jij ___ altijd te laat voor het werk. (zijn)
  7. Wij ___ al lang op het station. (wachten)
  8. De vergadering ___ twee uur. (duren)
  9. Ik ___ nu wegaan, want het is al half negen. (moeten)
  10. Mijn dochter ___ nooit te laat. (komen)
  11. Hoe lang ___ je al op mij? (wachten)
  12. Deze week ___ we het rustig aan. (gaan)