Learn Dutch
A1 · Verbs

Hoe vaak en hoe lang

How often and how long: frequentative verbs.

  1. Hoe vaak ___ jij naar de sportschool? (gaan)
  2. Hoe lang ___ je al in Nederland? (wonen)
  3. Mijn vader ___ elke zaterdag wandelen. (wandelen)
  4. Wij ___ vaak naar de markt lopen. (lopen)
  5. Zij ___ elke dag tien kilometer fietsen. (fietsen)
  6. Hoe vaak ___ jullie naar de bibliotheek? (gaan)
  7. Mijn zus ___ elke zomer in Frankrijk. (studeren)
  8. Ik ___ twee keer per week naar het zwembad. (gaan)
  9. Hoe lang ___ u al in dit hotel? (wonen)
  10. Wij ___ elke avond met de hond. (wandelen)
  11. De kinderen ___ veel naar buiten. (gaan)
  12. Hoe vaak ___ jij Nederlands spreekt? (spreken)