A1 · Verbs
Hoe vaak en hoe lang
How often and how long: frequentative verbs.
- Hoe vaak ___ jij naar de sportschool? (gaan)
- Hoe lang ___ je al in Nederland? (wonen)
- Mijn vader ___ elke zaterdag wandelen. (wandelen)
- Wij ___ vaak naar de markt lopen. (lopen)
- Zij ___ elke dag tien kilometer fietsen. (fietsen)
- Hoe vaak ___ jullie naar de bibliotheek? (gaan)
- Mijn zus ___ elke zomer in Frankrijk. (studeren)
- Ik ___ twee keer per week naar het zwembad. (gaan)
- Hoe lang ___ u al in dit hotel? (wonen)
- Wij ___ elke avond met de hond. (wandelen)
- De kinderen ___ veel naar buiten. (gaan)
- Hoe vaak ___ jij Nederlands spreekt? (spreken)