Learn Dutch
A1 · Verbs

Aan tafel: eten en drinken

Verbs for eating and drinking at the table.

  1. Ik ___ de tafel voor het eten. (dekken)
  2. Mijn moeder ___ de warme maaltijd. (serveren)
  3. Wil je de soep ___? (proeven)
  4. De kinderen ___ hun bord helemaal leeg. (opeten)
  5. Ik ___ een glas wijn in. (inschenken)
  6. Wij ___ na het eten de borden. (wassen)
  7. De kok ___ het eten op tafel. (zetten)
  8. Jij ___ toch nog een stukje brood? (willen)
  9. Mijn vader ___ de koffie sterk. (drinken)
  10. We ___ graag een glas wijn. (willen)
  11. Ik ___ de hele tijd aan de telefoon. (zijn)
  12. De meisjes ___ de tafel al gedekt. (dekken)