A1 · Verbs
Aan tafel: eten en drinken
Verbs for eating and drinking at the table.
- Ik ___ de tafel voor het eten. (dekken)
- Mijn moeder ___ de warme maaltijd. (serveren)
- Wil je de soep ___? (proeven)
- De kinderen ___ hun bord helemaal leeg. (opeten)
- Ik ___ een glas wijn in. (inschenken)
- Wij ___ na het eten de borden. (wassen)
- De kok ___ het eten op tafel. (zetten)
- Jij ___ toch nog een stukje brood? (willen)
- Mijn vader ___ de koffie sterk. (drinken)
- We ___ graag een glas wijn. (willen)
- Ik ___ de hele tijd aan de telefoon. (zijn)
- De meisjes ___ de tafel al gedekt. (dekken)