Learn Dutch
A1 · Verbs

Spelen en sport

Verbs of playing games and doing sport.

  1. Wij ___ elke zaterdag voetbal. (spelen)
  2. Onze club ___ altijd tegen de Amstelveense. (spelen)
  3. Zij ___ gisteren de wedstrijd. (winnen)
  4. We ___ altijd tegen de Amstelveense. (verliezen)
  5. Mijn broer ___ elke dag in de sportschool. (trainen)
  6. De jongen ___ drie keer tegen de paal. (schieten)
  7. Ik ___ graag voetballen. (willen)
  8. De ploeg ___ in de tweede helft. (wisselen)
  9. We ___ niet tegen de slechte ploeg. (willen)
  10. Mijn zus ___ elke dag vijf kilometer hardlopen. (hardlopen)
  11. De trainer ___ de ploeg elke dinsdag. (begeleiden)
  12. We ___ vanavond tegen de buren spelen. (gaan)