A1 · Verbs
Spelen en sport
Verbs of playing games and doing sport.
- Wij ___ elke zaterdag voetbal. (spelen)
- Onze club ___ altijd tegen de Amstelveense. (spelen)
- Zij ___ gisteren de wedstrijd. (winnen)
- We ___ altijd tegen de Amstelveense. (verliezen)
- Mijn broer ___ elke dag in de sportschool. (trainen)
- De jongen ___ drie keer tegen de paal. (schieten)
- Ik ___ graag voetballen. (willen)
- De ploeg ___ in de tweede helft. (wisselen)
- We ___ niet tegen de slechte ploeg. (willen)
- Mijn zus ___ elke dag vijf kilometer hardlopen. (hardlopen)
- De trainer ___ de ploeg elke dinsdag. (begeleiden)
- We ___ vanavond tegen de buren spelen. (gaan)