Learn Dutch
A1 · Verbs

Aan het loket: formulieren

Verbs for the counter: forms, applications and asking.

  1. Vul dit formulier ___ in. (invullen)
  2. Mijn moeder ___ het formulier vandaag. (ondertekenen)
  3. U ___ een paspoort meenemen. (moeten)
  4. Wij ___ al een half uur in de rij. (wachten)
  5. De medewerker ___ mij waar de balie is. (vertellen)
  6. Ik ___ niet goed snappen wat u zegt. (kunnen)
  7. Haal een ___ voor het loket. (nemen)
  8. Mijn broer ___ het adres op het papier. (schrijven)
  9. We ___ morgen terugkomen voor het antwoord. (moeten)
  10. Zij ___ alle papieren bij zich. (hebben)
  11. U ___ vrijdag terug komen. (moeten)
  12. Ik ___ graag een afspraak maken. (willen)