A1 · Verbs
Huisdieren: honden en katten
Verbs about pets: feeding, walking and playing with them.
- Ik ___ de hond elke ochtend. (uitlaten)
- Mijn vader ___ de kat 's avonds. (voeren)
- De kat ___ graag in de zon. (liggen)
- Wij ___ de hond elke week borstelen. (borstelen)
- Mijn dochter ___ de kat zachtjes aaien. (aaien)
- De hond ___ de hele dag in de tuin. (blaffen)
- Ik ___ mijn vogel niet alleen laten. (willen)
- Onze kat ___ van de vissen. (houden)
- Mijn broer ___ de puppy naar de hondenschool. (brengen)
- We ___ goed voor ons dier zorgen. (zorgen)
- De dierenarts ___ onze kat volgende week. (bezoeken)
- De hond ___ al twee weken ziek. (zijn)