Learn Dutch
A1 · Verbs

Huisdieren: honden en katten

Verbs about pets: feeding, walking and playing with them.

  1. Ik ___ de hond elke ochtend. (uitlaten)
  2. Mijn vader ___ de kat 's avonds. (voeren)
  3. De kat ___ graag in de zon. (liggen)
  4. Wij ___ de hond elke week borstelen. (borstelen)
  5. Mijn dochter ___ de kat zachtjes aaien. (aaien)
  6. De hond ___ de hele dag in de tuin. (blaffen)
  7. Ik ___ mijn vogel niet alleen laten. (willen)
  8. Onze kat ___ van de vissen. (houden)
  9. Mijn broer ___ de puppy naar de hondenschool. (brengen)
  10. We ___ goed voor ons dier zorgen. (zorgen)
  11. De dierenarts ___ onze kat volgende week. (bezoeken)
  12. De hond ___ al twee weken ziek. (zijn)