Learn Dutch
A1 · Verbs

Namen en woorden leren

Verbs for learning and remembering words.

  1. Ik ___ tien nieuwe woorden per week. (leren)
  2. Mijn zus ___ de woorden drie keer. (herhalen)
  3. Wij ___ elke ochtend de woordenlijst. (opschrijven)
  4. Mijn vader ___ de Engelse woorden goed onthouden. (kunnen)
  5. De docent ___ de woorden op het bord. (schrijven)
  6. Ik ___ het woord niet onthouden. (kunnen)
  7. Zij ___ goed Frans en Engels. (spreken)
  8. We ___ de tekst naar het Nederlands vertalen. (willen)
  9. Mijn dochter ___ elke dag tien minuten oefenen. (moeten)
  10. Ik ___ mijn naam in het Latijn. (kunnen)
  11. Onze leraar ___ ons veel huiswerk geven. (willen)
  12. Wij ___ de woorden van de lijst leren. (willen)