A1 · Verbs
Namen en woorden leren
Verbs for learning and remembering words.
- Ik ___ tien nieuwe woorden per week. (leren)
- Mijn zus ___ de woorden drie keer. (herhalen)
- Wij ___ elke ochtend de woordenlijst. (opschrijven)
- Mijn vader ___ de Engelse woorden goed onthouden. (kunnen)
- De docent ___ de woorden op het bord. (schrijven)
- Ik ___ het woord niet onthouden. (kunnen)
- Zij ___ goed Frans en Engels. (spreken)
- We ___ de tekst naar het Nederlands vertalen. (willen)
- Mijn dochter ___ elke dag tien minuten oefenen. (moeten)
- Ik ___ mijn naam in het Latijn. (kunnen)
- Onze leraar ___ ons veel huiswerk geven. (willen)
- Wij ___ de woorden van de lijst leren. (willen)