A1 · Verbs
Werkwoorden kiezen: zijn of hebben
Choosing between zijn and hebben in the present.
- Ik ___ een auto. (hebben)
- Mijn moeder ___ vandaag moe. (zijn)
- Wij ___ nog honger. (hebben)
- De winkel ___ vandaag dicht. (zijn)
- Jij ___ gelijk, zeg ik. (hebben)
- Zij ___ een heel mooi huis. (hebben)
- We ___ vandaag allemaal ziek. (zijn)
- Hij ___ een afspraak bij de dokter. (hebben)
- Ik ___ geluk dat je er bent. (hebben)
- Mijn zus ___ op school in Utrecht. (zijn)
- De kinderen ___ veel zin in de excursie. (hebben)
- U ___ al gewacht? (hebben)