Learn Dutch
A1 · Verbs

Werkwoorden kiezen: zijn of hebben

Choosing between zijn and hebben in the present.

  1. Ik ___ een auto. (hebben)
  2. Mijn moeder ___ vandaag moe. (zijn)
  3. Wij ___ nog honger. (hebben)
  4. De winkel ___ vandaag dicht. (zijn)
  5. Jij ___ gelijk, zeg ik. (hebben)
  6. Zij ___ een heel mooi huis. (hebben)
  7. We ___ vandaag allemaal ziek. (zijn)
  8. Hij ___ een afspraak bij de dokter. (hebben)
  9. Ik ___ geluk dat je er bent. (hebben)
  10. Mijn zus ___ op school in Utrecht. (zijn)
  11. De kinderen ___ veel zin in de excursie. (hebben)
  12. U ___ al gewacht? (hebben)