Learn Dutch
A1 · Verbs

Hebben en zijn met voorzetsels

Verbs with a preposition: hebben om, zijn voor.

  1. Ik ___ een fiets nodig. (hebben)
  2. Deze jas ___ van katoen. (zijn)
  3. Wij ___ zin in een ijsje. (hebben)
  4. Mijn vader ___ last van zijn rug. (hebben)
  5. Deze prijs ___ voor mij te hoog. (zijn)
  6. Zij ___ een koelkast nodig voor de flat. (hebben)
  7. Ik ___ niets te doen vandaag. (hebben)
  8. Dit boek ___ voor kinderen. (zijn)
  9. Mijn broer ___ een heerlijk idee. (hebben)
  10. Wij ___ genoeg tijd. (hebben)
  11. U ___ gelijk, denk ik. (hebben)
  12. Het ___ tijd voor de bus. (zijn)