A1 · Verbs
Hebben en zijn met voorzetsels
Verbs with a preposition: hebben om, zijn voor.
- Ik ___ een fiets nodig. (hebben)
- Deze jas ___ van katoen. (zijn)
- Wij ___ zin in een ijsje. (hebben)
- Mijn vader ___ last van zijn rug. (hebben)
- Deze prijs ___ voor mij te hoog. (zijn)
- Zij ___ een koelkast nodig voor de flat. (hebben)
- Ik ___ niets te doen vandaag. (hebben)
- Dit boek ___ voor kinderen. (zijn)
- Mijn broer ___ een heerlijk idee. (hebben)
- Wij ___ genoeg tijd. (hebben)
- U ___ gelijk, denk ik. (hebben)
- Het ___ tijd voor de bus. (zijn)