Learn Dutch
A1 · Verbs

Uitzoeken en kiezen

Verbs for choosing, trying on and deciding.

  1. Mag ik deze jas ___? (passen)
  2. Ik ___ een blauwe jurk. (kiezen)
  3. Zij ___ een andere kleur. (kiezen)
  4. Wij ___ de mooiste tafel uit de winkel. (uitzoeken)
  5. De schoen ___ mij niet. (passen)
  6. Mijn broer ___ een andere telefoon. (willen)
  7. De klant ___ de broek ruilen. (willen)
  8. Jij ___ de prijs ook vinden? (vinden)
  9. We ___ morgen meteen antwoord geven. (kunnen)
  10. Mijn zus ___ een proefjas passen. (willen)
  11. De winkel ___ ook schoenen verkopen. (kunnen)
  12. We ___ het samen overleggen. (willen)