A1 · Verbs
Uitzoeken en kiezen
Verbs for choosing, trying on and deciding.
- Mag ik deze jas ___? (passen)
- Ik ___ een blauwe jurk. (kiezen)
- Zij ___ een andere kleur. (kiezen)
- Wij ___ de mooiste tafel uit de winkel. (uitzoeken)
- De schoen ___ mij niet. (passen)
- Mijn broer ___ een andere telefoon. (willen)
- De klant ___ de broek ruilen. (willen)
- Jij ___ de prijs ook vinden? (vinden)
- We ___ morgen meteen antwoord geven. (kunnen)
- Mijn zus ___ een proefjas passen. (willen)
- De winkel ___ ook schoenen verkopen. (kunnen)
- We ___ het samen overleggen. (willen)