A1 · Verbs
Twee werkwoorden in een zin
Two verbs: the first one is finite, the second one is not.
- Ik ___ graag een boek lezen. (willen)
- Mijn moeder ___ graag Nederlandse kookt. (koken)
- Wij ___ en leren elke dag. (werken)
- Hij ___ vandaag niet naar het werk. (gaan)
- De leraar ___ ons veel te leren. (willen)
- Ik ___ eerst koken en daarna eten. (moeten)
- Zij ___ elke dag naar de school lopen. (moeten)
- We ___ samen muziek maken. (willen)
- Mijn vader ___ het huis schoonmaken. (kunnen)
- De jongen ___ en speelt in de tuin. (roepen)
- Ik ___ morgen vroeg opstaan. (moeten)
- U ___ ons graag helpen. (willen)