Learn Dutch
A1 · Verbs

Twee werkwoorden in een zin

Two verbs: the first one is finite, the second one is not.

  1. Ik ___ graag een boek lezen. (willen)
  2. Mijn moeder ___ graag Nederlandse kookt. (koken)
  3. Wij ___ en leren elke dag. (werken)
  4. Hij ___ vandaag niet naar het werk. (gaan)
  5. De leraar ___ ons veel te leren. (willen)
  6. Ik ___ eerst koken en daarna eten. (moeten)
  7. Zij ___ elke dag naar de school lopen. (moeten)
  8. We ___ samen muziek maken. (willen)
  9. Mijn vader ___ het huis schoonmaken. (kunnen)
  10. De jongen ___ en speelt in de tuin. (roepen)
  11. Ik ___ morgen vroeg opstaan. (moeten)
  12. U ___ ons graag helpen. (willen)