A1 · Verbs
Tijdwoorden: vandaag, morgen, gisteren
Verbs with words for time and day parts.
- Vandaag ___ ik boodschappen doen. (gaan)
- Morgen ___ de film beginnen. (gaan)
- Gisteren ___ ik heel moe. (zijn)
- Vanavond ___ wij naar de bioscoop. (gaan)
- Nu ___ ik de telefoon opnemen. (moeten)
- Mijn vader ___ gisteren tot laat doorwerken. (hebben)
- Vanmorgen ___ ik te laat gekomen. (zijn)
- Over twee dagen ___ wij op vakantie. (gaan)
- Elke ochtend ___ ik om half zeven opstaan. (moeten)
- Vanavond ___ de kinderen vroeg naar bed. (moeten)
- Morgen ___ wij elkaar weer zien. (kunnen)
- Gisteren ___ de winkel al dicht. (zijn)