Learn Dutch
A1 · Verbs

Tijdwoorden: vandaag, morgen, gisteren

Verbs with words for time and day parts.

  1. Vandaag ___ ik boodschappen doen. (gaan)
  2. Morgen ___ de film beginnen. (gaan)
  3. Gisteren ___ ik heel moe. (zijn)
  4. Vanavond ___ wij naar de bioscoop. (gaan)
  5. Nu ___ ik de telefoon opnemen. (moeten)
  6. Mijn vader ___ gisteren tot laat doorwerken. (hebben)
  7. Vanmorgen ___ ik te laat gekomen. (zijn)
  8. Over twee dagen ___ wij op vakantie. (gaan)
  9. Elke ochtend ___ ik om half zeven opstaan. (moeten)
  10. Vanavond ___ de kinderen vroeg naar bed. (moeten)
  11. Morgen ___ wij elkaar weer zien. (kunnen)
  12. Gisteren ___ de winkel al dicht. (zijn)