Learn Dutch
A1 · Verbs

Meneer, mevrouw en juffrouw

Polite forms of address in the present tense.

  1. Meneer, ___ u een moment? (hebben)
  2. Mevrouw, ___ u mij helpen? (kunnen)
  3. U ___ welkom in ons huis. (zijn)
  4. Waarom ___ u zo vroeg hier? (zijn)
  5. Jullie ___ de hele dag in de tuin. (zijn)
  6. Jullie ___ volgende week op vakantie? (gaan)
  7. U ___ uw sleutels bij het hotel achtergelaten. (hebben)
  8. Juffrouw Jansen ___ de klas al begonnen. (hebben)
  9. U ___ hier wel komen praten. (kunnen)
  10. Jullie ___ allebei een eigen kamer? (hebben)
  11. Meneer de Vries ___ ons graag helpen. (willen)
  12. U ___ mij zeggen wat u wilt. (kunnen)