A1 · Verbs
Meneer, mevrouw en juffrouw
Polite forms of address in the present tense.
- Meneer, ___ u een moment? (hebben)
- Mevrouw, ___ u mij helpen? (kunnen)
- U ___ welkom in ons huis. (zijn)
- Waarom ___ u zo vroeg hier? (zijn)
- Jullie ___ de hele dag in de tuin. (zijn)
- Jullie ___ volgende week op vakantie? (gaan)
- U ___ uw sleutels bij het hotel achtergelaten. (hebben)
- Juffrouw Jansen ___ de klas al begonnen. (hebben)
- U ___ hier wel komen praten. (kunnen)
- Jullie ___ allebei een eigen kamer? (hebben)
- Meneer de Vries ___ ons graag helpen. (willen)
- U ___ mij zeggen wat u wilt. (kunnen)