A1 · Verbs
Om te en voor
Verbs with om te (to …) and voor (for).
- Ik ga naar de bibliotheek ___ boeken te lenen. (lenen)
- Deze tas is ___ jou. (zijn)
- Wij gaan naar het strand ___ zwemmen. (zwemmen)
- Waar is dit ___? (voor)
- Mijn broer leert Nederlands ___ beter te spreken. (spreken)
- Die jas is ___ mijn moeder. (zijn)
- Ik kom om ___ met jou te praten. (praten)
- Wij gebruiken dit programma ___ de boeken te vertalen. (vertalen)
- Deze deur is ___ de achterkamer. (zijn)
- Waarom ga je naar de winkel ___ melk te halen? (halen)
- Zij werkt hard ___ haar doel te bereiken. (bereiken)
- Deze bloemen zijn ___ mijn moeder. (zijn)