Learn Dutch
A1 · Verbs

Om te en voor

Verbs with om te (to …) and voor (for).

  1. Ik ga naar de bibliotheek ___ boeken te lenen. (lenen)
  2. Deze tas is ___ jou. (zijn)
  3. Wij gaan naar het strand ___ zwemmen. (zwemmen)
  4. Waar is dit ___? (voor)
  5. Mijn broer leert Nederlands ___ beter te spreken. (spreken)
  6. Die jas is ___ mijn moeder. (zijn)
  7. Ik kom om ___ met jou te praten. (praten)
  8. Wij gebruiken dit programma ___ de boeken te vertalen. (vertalen)
  9. Deze deur is ___ de achterkamer. (zijn)
  10. Waarom ga je naar de winkel ___ melk te halen? (halen)
  11. Zij werkt hard ___ haar doel te bereiken. (bereiken)
  12. Deze bloemen zijn ___ mijn moeder. (zijn)