Learn Dutch
A1 · Verbs

De basisvormen nog een keer

A last check of the most important present-tense forms.

  1. Ik ___ student in Amsterdam. (zijn)
  2. Jij ___ altijd te laat voor de les! (hebben)
  3. Hij ___ Nederlands en Engels spreken. (kunnen)
  4. Wij ___ elke week naar de markt. (gaan)
  5. Zij ___ haar huiswerk op de computer. (doen)
  6. Mijn broer ___ in een ziekenhuis. (werken)
  7. U ___ mij graag een handje helpen. (willen)
  8. De kinderen ___ om half zes op. (opstaan)
  9. Ik ___ de tafel al gedekt. (dekken)
  10. Mijn moeder ___ elke avond voor ons koken. (koken)
  11. Wij ___ niet mee, dank je wel. (doen)
  12. Waar ___ jij zo blij van? (zijn)