A1 · Verbs
De basisvormen nog een keer
A last check of the most important present-tense forms.
- Ik ___ student in Amsterdam. (zijn)
- Jij ___ altijd te laat voor de les! (hebben)
- Hij ___ Nederlands en Engels spreken. (kunnen)
- Wij ___ elke week naar de markt. (gaan)
- Zij ___ haar huiswerk op de computer. (doen)
- Mijn broer ___ in een ziekenhuis. (werken)
- U ___ mij graag een handje helpen. (willen)
- De kinderen ___ om half zes op. (opstaan)
- Ik ___ de tafel al gedekt. (dekken)
- Mijn moeder ___ elke avond voor ons koken. (koken)
- Wij ___ niet mee, dank je wel. (doen)
- Waar ___ jij zo blij van? (zijn)