A1 · Verbs
doen, gaan and staan
Short verbs that change a lot in the present.
- Ik ___ graag Nederlands leren. (doen)
- Hij ___ zijn huiswerk op de computer. (doen)
- Wij ___ elke zaterdag naar de markt. (gaan)
- De trein ___ om half acht uit Amsterdam. (gaan)
- Ik ___ voor het raam. (staan)
- De bus ___ al bij de halte. (staan)
- Jij ___ altijd te veel boodschappen. (nemen)
- Waarom ___ jij dat? (doen)
- Hij ___ me de sleutel van de kamer. (geven)
- Wanneer ___ de winkel dicht? (gaan)
- Ik ___ niet mee, dank je wel. (doen)
- De jongens ___ tegen de muur. (staan)