Learn Dutch
A1 · Verbs

doen, gaan and staan

Short verbs that change a lot in the present.

  1. Ik ___ graag Nederlands leren. (doen)
  2. Hij ___ zijn huiswerk op de computer. (doen)
  3. Wij ___ elke zaterdag naar de markt. (gaan)
  4. De trein ___ om half acht uit Amsterdam. (gaan)
  5. Ik ___ voor het raam. (staan)
  6. De bus ___ al bij de halte. (staan)
  7. Jij ___ altijd te veel boodschappen. (nemen)
  8. Waarom ___ jij dat? (doen)
  9. Hij ___ me de sleutel van de kamer. (geven)
  10. Wanneer ___ de winkel dicht? (gaan)
  11. Ik ___ niet mee, dank je wel. (doen)
  12. De jongens ___ tegen de muur. (staan)