A1 · Verbs
Commands with you and jullie
The imperative, with and without a pronoun.
- ___ hier, niet bij de deur! (komen)
- Maak de deur ___! (doen)
- Jullie ___ hier wachten! (wachten)
- Jij ___ niet roken in de klas! (roken)
- ___ uw jas aan de deur hangen! (hangen)
- Jullie ___ in de rij staan! (staan)
- Voor de excursie ___ je een jas nodig. (hebben)
- ___ je vrienden uitnodigen voor het feest! (uitnodigen)
- Help me met de boodschappen, ___! (helpen)
- Schrijf: jullie ___ morgen om tien uur. (komen)
- Leg het boek ___ de tafel en lees het! (leggen)
- Je ___ vragen als je iets niet begrijpt. (vragen)