Learn Dutch
A1 · Verbs

Commands with you and jullie

The imperative, with and without a pronoun.

  1. ___ hier, niet bij de deur! (komen)
  2. Maak de deur ___! (doen)
  3. Jullie ___ hier wachten! (wachten)
  4. Jij ___ niet roken in de klas! (roken)
  5. ___ uw jas aan de deur hangen! (hangen)
  6. Jullie ___ in de rij staan! (staan)
  7. Voor de excursie ___ je een jas nodig. (hebben)
  8. ___ je vrienden uitnodigen voor het feest! (uitnodigen)
  9. Help me met de boodschappen, ___! (helpen)
  10. Schrijf: jullie ___ morgen om tien uur. (komen)
  11. Leg het boek ___ de tafel en lees het! (leggen)
  12. Je ___ vragen als je iets niet begrijpt. (vragen)