A1 · Verbs
Irregular present stems
Verbs whose present stem is not the infinitive.
- Ik ___ elke week boeken. (nemen)
- Mijn broer ___ mij het huis. (geven)
- Zij ___ een roman in het Engels. (lezen)
- Ik ___ Nederlands met de buurman. (spreken)
- Wij ___ om tien uur naar bed. (gaan)
- De kinderen ___ naar school. (lopen)
- Jij ___ mij vaak helpen. (helpen)
- Mijn vader ___ elke ochtend kranten. (dragen)
- Hij ___ zijn fiets naar school. (rijden)
- Ik ___ de deur met een sleutel. (openen)
- Waarom ___ jij zo laat naar huis? (komen)
- De juf ___ de kinderen een verhaal. (vertellen)