Learn Dutch
A1 · Verbs

Irregular present stems

Verbs whose present stem is not the infinitive.

  1. Ik ___ elke week boeken. (nemen)
  2. Mijn broer ___ mij het huis. (geven)
  3. Zij ___ een roman in het Engels. (lezen)
  4. Ik ___ Nederlands met de buurman. (spreken)
  5. Wij ___ om tien uur naar bed. (gaan)
  6. De kinderen ___ naar school. (lopen)
  7. Jij ___ mij vaak helpen. (helpen)
  8. Mijn vader ___ elke ochtend kranten. (dragen)
  9. Hij ___ zijn fiets naar school. (rijden)
  10. Ik ___ de deur met een sleutel. (openen)
  11. Waarom ___ jij zo laat naar huis? (komen)
  12. De juf ___ de kinderen een verhaal. (vertellen)