A1 · Verbs
hebben, zijn and seem
Two very common verbs with irregular forms.
- Ik ___ een vriendin in Rotterdam. (hebben)
- Jij ___ altijd te laat! (hebben)
- Hij ___ vandaag een dag vrij. (hebben)
- Wij ___ om tien uur thuis. (zijn)
- Zij ___ een goede leraar. (zijn)
- Jij ___ toch komen? (zijn)
- De winkel ___ vandaag open. (zijn)
- Waar ___ jullie nu? (zijn)
- Ik ___ geen tijd vandaag. (hebben)
- Mijn broer ___ arts in een ziekenhuis. (zijn)
- ___ jij een fiets? (hebben)
- De kinderen ___ buiten aan het spelen. (zijn)