Learn Dutch
A1 · Verbs

hebben, zijn and seem

Two very common verbs with irregular forms.

  1. Ik ___ een vriendin in Rotterdam. (hebben)
  2. Jij ___ altijd te laat! (hebben)
  3. Hij ___ vandaag een dag vrij. (hebben)
  4. Wij ___ om tien uur thuis. (zijn)
  5. Zij ___ een goede leraar. (zijn)
  6. Jij ___ toch komen? (zijn)
  7. De winkel ___ vandaag open. (zijn)
  8. Waar ___ jullie nu? (zijn)
  9. Ik ___ geen tijd vandaag. (hebben)
  10. Mijn broer ___ arts in een ziekenhuis. (zijn)
  11. ___ jij een fiets? (hebben)
  12. De kinderen ___ buiten aan het spelen. (zijn)