A1 · Verbs
Short verbs & commands
gaan, komen, doen, zien, staan, and the imperative.
- Ik ___ met de bus naar school. (gaan)
- Hij ___ uit Spanje. (komen)
- Ik ___ de bus niet. (zien)
- De fiets ___ voor het huis. (staan)
- Wat ___ hij in het weekend? (doen)
- Morgen ___ jij naar de dokter. (gaan)
- Wanneer ___ jullie naar Nederland? (komen)
- Tom, ___ de deur dicht, alsjeblieft. (doen)
- Anna, ___ even hier! (komen)
- Sarah, ___ je naam hier. (schrijven)
- Jongens, ___ niet zo hard! (rennen)
- Mam, ___ eens! (kijken)