Learn Dutch
A1 · Verbs

Short verbs & commands

gaan, komen, doen, zien, staan, and the imperative.

  1. Ik ___ met de bus naar school. (gaan)
  2. Hij ___ uit Spanje. (komen)
  3. Ik ___ de bus niet. (zien)
  4. De fiets ___ voor het huis. (staan)
  5. Wat ___ hij in het weekend? (doen)
  6. Morgen ___ jij naar de dokter. (gaan)
  7. Wanneer ___ jullie naar Nederland? (komen)
  8. Tom, ___ de deur dicht, alsjeblieft. (doen)
  9. Anna, ___ even hier! (komen)
  10. Sarah, ___ je naam hier. (schrijven)
  11. Jongens, ___ niet zo hard! (rennen)
  12. Mam, ___ eens! (kijken)