Learn Dutch
A1 · Verbs

Can, must, want, may

The modal verbs kunnen, moeten, willen and mogen.

  1. Ik ___ een kop koffie. (willen)
  2. Jij ___ goed zwemmen. (kunnen)
  3. Hij ___ morgen werken. (moeten)
  4. Hier ___ je niet roken. (mogen)
  5. Wij ___ naar het strand. (willen)
  6. Kinderen ___ geen bier drinken. (mogen)
  7. Jullie ___ je huiswerk maken. (moeten)
  8. Wat ___ jij doen? (willen)
  9. Ik ___ niet komen, want ik ben ziek. (kunnen)
  10. U ___ hier betalen. (kunnen)
  11. Mijn zus ___ goed koken. (kunnen)
  12. Jij ___ om tien uur thuis zijn. (moeten)