A1 · Verbs
Can, must, want, may
The modal verbs kunnen, moeten, willen and mogen.
- Ik ___ een kop koffie. (willen)
- Jij ___ goed zwemmen. (kunnen)
- Hij ___ morgen werken. (moeten)
- Hier ___ je niet roken. (mogen)
- Wij ___ naar het strand. (willen)
- Kinderen ___ geen bier drinken. (mogen)
- Jullie ___ je huiswerk maken. (moeten)
- Wat ___ jij doen? (willen)
- Ik ___ niet komen, want ik ben ziek. (kunnen)
- U ___ hier betalen. (kunnen)
- Mijn zus ___ goed koken. (kunnen)
- Jij ___ om tien uur thuis zijn. (moeten)