A1 · Verbs
Verbs with niet and geen
Negative sentences: the verb form stays the same.
- Ik ___ geen vlees. (eten)
- Hij ___ niet goed Nederlands. (spreken)
- Wij ___ geen auto. (hebben)
- Vandaag ___ ik niet. (werken)
- Mijn zus ___ niet thuis. (zijn)
- ___ jij geen honger? (hebben)
- Mijn kinderen ___ geen melk. (drinken)
- Ik ___ het antwoord niet. (weten)
- Ik ___ niet van kaas. (houden)
- Hij ___ vandaag niet naar school. (gaan)
- Waarom ___ jij niet? (slapen)
- Het ___ vandaag niet. (regenen)