Learn Dutch
A1 · Verbs

Verbs with niet and geen

Negative sentences: the verb form stays the same.

  1. Ik ___ geen vlees. (eten)
  2. Hij ___ niet goed Nederlands. (spreken)
  3. Wij ___ geen auto. (hebben)
  4. Vandaag ___ ik niet. (werken)
  5. Mijn zus ___ niet thuis. (zijn)
  6. ___ jij geen honger? (hebben)
  7. Mijn kinderen ___ geen melk. (drinken)
  8. Ik ___ het antwoord niet. (weten)
  9. Ik ___ niet van kaas. (houden)
  10. Hij ___ vandaag niet naar school. (gaan)
  11. Waarom ___ jij niet? (slapen)
  12. Het ___ vandaag niet. (regenen)