A1 · Verbs
Verbs in questions
The verb comes first or right after the question word.
- ___ jij Engels? (spreken)
- ___ hij in Den Haag? (wonen)
- Waar ___ jij vandaan? (komen)
- Hoe laat ___ de winkel open? (gaan)
- ___ jullie zin in koffie? (hebben)
- Wat ___ jij vanavond? (eten)
- ___ u een tas nodig? (hebben)
- Waarom ___ jij zo laat? (zijn)
- Hoeveel ___ de appels? (kosten)
- ___ jij morgen? (werken)
- Wie ___ er koffie? (willen)
- Welke taal ___ je moeder? (spreken)