Learn Dutch
A1 · Verbs

Verbs in questions

The verb comes first or right after the question word.

  1. ___ jij Engels? (spreken)
  2. ___ hij in Den Haag? (wonen)
  3. Waar ___ jij vandaan? (komen)
  4. Hoe laat ___ de winkel open? (gaan)
  5. ___ jullie zin in koffie? (hebben)
  6. Wat ___ jij vanavond? (eten)
  7. ___ u een tas nodig? (hebben)
  8. Waarom ___ jij zo laat? (zijn)
  9. Hoeveel ___ de appels? (kosten)
  10. ___ jij morgen? (werken)
  11. Wie ___ er koffie? (willen)
  12. Welke taal ___ je moeder? (spreken)