A1 · Verbs
Separable verbs
opstaan, opbellen, meenemen: the verb splits in two.
- Ik ___ om zeven uur op. (opstaan)
- Hij ___ zijn moeder op. (opbellen)
- Wij ___ vanavond uit. (uitgaan)
- Jij ___ een paraplu mee. (meenemen)
- Ik ___ na het eten af. (afwassen)
- De trein ___ om tien uur aan. (aankomen)
- Ik ___ mijn jas uit. (uittrekken)
- Hoe laat ___ jij op? (opstaan)
- Ik wil morgen niet vroeg ___. (opstaan)
- Mijn vader ___ de tv aan. (aanzetten)
- Ik ___ de deur open. (opendoen)
- Wij ___ onze vrienden uit. (uitnodigen)