Learn Dutch
A1 · Verbs

Separable verbs

opstaan, opbellen, meenemen: the verb splits in two.

  1. Ik ___ om zeven uur op. (opstaan)
  2. Hij ___ zijn moeder op. (opbellen)
  3. Wij ___ vanavond uit. (uitgaan)
  4. Jij ___ een paraplu mee. (meenemen)
  5. Ik ___ na het eten af. (afwassen)
  6. De trein ___ om tien uur aan. (aankomen)
  7. Ik ___ mijn jas uit. (uittrekken)
  8. Hoe laat ___ jij op? (opstaan)
  9. Ik wil morgen niet vroeg ___. (opstaan)
  10. Mijn vader ___ de tv aan. (aanzetten)
  11. Ik ___ de deur open. (opendoen)
  12. Wij ___ onze vrienden uit. (uitnodigen)