A1 · Verbs
Spelling in the present tense
Long vowels, double letters and stems ending in -t or -d.
- Ik ___ acht uur per nacht. (slapen)
- Hij ___ op de bank. (zitten)
- Ik ___ mijn moeder elke zondag. (bellen)
- Jij ___ een lekkere taart. (maken)
- Mijn vader ___ elke dag een uur. (lopen)
- Mijn zus ___ in bed en leest een boek. (liggen)
- Hij ___ een appel. (eten)
- Het ___ koud. (worden)
- Ik ___ de tafel. (dekken)
- Ik ___ vandaag thuis. (blijven)
- Jij ___ een nieuwe broek. (kopen)
- Hij ___ zijn fiets voor de deur. (zetten)