Learn Dutch
A1 · Verbs

Spelling in the present tense

Long vowels, double letters and stems ending in -t or -d.

  1. Ik ___ acht uur per nacht. (slapen)
  2. Hij ___ op de bank. (zitten)
  3. Ik ___ mijn moeder elke zondag. (bellen)
  4. Jij ___ een lekkere taart. (maken)
  5. Mijn vader ___ elke dag een uur. (lopen)
  6. Mijn zus ___ in bed en leest een boek. (liggen)
  7. Hij ___ een appel. (eten)
  8. Het ___ koud. (worden)
  9. Ik ___ de tafel. (dekken)
  10. Ik ___ vandaag thuis. (blijven)
  11. Jij ___ een nieuwe broek. (kopen)
  12. Hij ___ zijn fiets voor de deur. (zetten)