Learn Dutch
A1 · Verbs

Present tense

Regular verbs in the present tense.

  1. Ik ___ in Amsterdam. (wonen)
  2. Jij ___ heel goed. (dansen)
  3. Hij ___ elke dag koffie. (drinken)
  4. Wij ___ om zes uur. (eten)
  5. Wat ___ jij in het weekend? (doen)
  6. Mijn moeder ___ in een ziekenhuis. (werken)
  7. Jullie ___ een brief. (schrijven)
  8. Ik ___ een boek. (lezen)
  9. Hij ___ naar de radio. (luisteren)
  10. Morgen ___ jij naar Utrecht. (reizen)
  11. Mijn broer ___ het boek leuk. (vinden)
  12. Anna ___ elke dag naar school. (fietsen)