A1 · Verbs
Present tense
Regular verbs in the present tense.
- Ik ___ in Amsterdam. (wonen)
- Jij ___ heel goed. (dansen)
- Hij ___ elke dag koffie. (drinken)
- Wij ___ om zes uur. (eten)
- Wat ___ jij in het weekend? (doen)
- Mijn moeder ___ in een ziekenhuis. (werken)
- Jullie ___ een brief. (schrijven)
- Ik ___ een boek. (lezen)
- Hij ___ naar de radio. (luisteren)
- Morgen ___ jij naar Utrecht. (reizen)
- Mijn broer ___ het boek leuk. (vinden)
- Anna ___ elke dag naar school. (fietsen)