A1 · Verbs
Zijn and hebben
The two most important verbs: to be and to have.
- Ik ___ student. (zijn)
- Jij ___ een mooie fiets. (hebben)
- Hij ___ moe. (zijn)
- Wij ___ twee katten. (hebben)
- Waar ___ jij? (zijn)
- Meneer, u ___ een mooie hoed. (hebben)
- Jullie ___ te laat. (zijn)
- Mijn ouders ___ een groot huis. (hebben)
- Het ___ koud vandaag. (zijn)
- Ik ___ honger. (hebben)
- U ___ heel vriendelijk. (zijn)
- Sanne ___ geen tijd. (hebben)