Learn Dutch
A1 · Verbs

Zijn and hebben

The two most important verbs: to be and to have.

  1. Ik ___ student. (zijn)
  2. Jij ___ een mooie fiets. (hebben)
  3. Hij ___ moe. (zijn)
  4. Wij ___ twee katten. (hebben)
  5. Waar ___ jij? (zijn)
  6. Meneer, u ___ een mooie hoed. (hebben)
  7. Jullie ___ te laat. (zijn)
  8. Mijn ouders ___ een groot huis. (hebben)
  9. Het ___ koud vandaag. (zijn)
  10. Ik ___ honger. (hebben)
  11. U ___ heel vriendelijk. (zijn)
  12. Sanne ___ geen tijd. (hebben)