Learn Dutch
A2 · Adjectives & articles

The comparative with meer and minder

The irregular comparatives of veel and weinig.

  1. Ik heb ___ tijd dan jij. (veel)
  2. Er zijn ___ mensen in de winkel dan in de supermarkt. (weinig)
  3. Hij heeft ___ energie dan ik. (veel)
  4. Er liggen ___ bladeren op het plein dan gisteren. (weinig)
  5. Ik drink ___ koffie dan jij. (veel)
  6. Deze winkel heeft ___ klanten dan de andere. (veel)
  7. Er is ___ ruimte in de keuken dan in de woonkamer. (weinig)
  8. Mijn broer heeft ___ vrienden dan ik. (weinig)
  9. Deze week is er ___ werk dan vorige week. (veel)
  10. Zij heeft ___ haast dan ik. (weinig)
  11. Er is ___ vrije tijd in de week dan in het weekend. (weinig)
  12. Ik heb ___ zin om te wandelen dan jij. (veel)