A2 · Adjectives & articles
The comparative with meer and minder
The irregular comparatives of veel and weinig.
- Ik heb ___ tijd dan jij. (veel)
- Er zijn ___ mensen in de winkel dan in de supermarkt. (weinig)
- Hij heeft ___ energie dan ik. (veel)
- Er liggen ___ bladeren op het plein dan gisteren. (weinig)
- Ik drink ___ koffie dan jij. (veel)
- Deze winkel heeft ___ klanten dan de andere. (veel)
- Er is ___ ruimte in de keuken dan in de woonkamer. (weinig)
- Mijn broer heeft ___ vrienden dan ik. (weinig)
- Deze week is er ___ werk dan vorige week. (veel)
- Zij heeft ___ haast dan ik. (weinig)
- Er is ___ vrije tijd in de week dan in het weekend. (weinig)
- Ik heb ___ zin om te wandelen dan jij. (veel)