Learn Dutch
A2 · Adjectives & articles

-e adjectives in the comparative

Comparatives of long, short, beautiful, dry and other -e words.

  1. Mijn jas is ___ dan jouw jas. (lang)
  2. Deze broek is ___ dan die andere. (kort)
  3. De bloemen zijn ___ dan vorig jaar. (mooi)
  4. Het gras is ___ in de zomer. (droog)
  5. De wijn is ___ dan het water. (zuur)
  6. Mijn oma is ___ dan haar zus. (doof)
  7. Dat klinkt ___ dan ik dacht. (raar)
  8. De motor is ___ dan de nieuwe. (warm)
  9. In de kelder is het ___ dan in de kamer. (donker)
  10. De klas is ___ dan vorig jaar. (stil)
  11. Deze week ben ik ___ dan vorige week. (ziek)
  12. Deze bus rijdt ___ dan de vorige. (langzaam)