A2 · Adjectives & articles
-en adjectives in the comparative
Comparatives of satisfied, pleased, wrong and other -en words.
- Ik ben ___ met de nieuwe baan. (tevreden)
- Zij was ___ met het voorstel dan ik. (tevreden)
- De meningen van de buren zijn heel ___. (verschillend)
- Hij was ___ toen hij het nieuws hoorde. (opgetogen)
- Dat antwoord is ___ dan het juiste antwoord. (verkeerd)
- Mijn collega is ___ dan de rest van het team. (betrokken)
- Ik ben ___ met de uitkomst van de test. (ontevreden)
- Het is ___ om te wachten. (vervelend)
- Zij was ___ met het eten in het restaurant. (vergenoegd)
- Hij was ___ door haar verhaal. (overtuigd)
- Mijn vriendin is ___ over haar uitslag dan ik. (trots)
- De prijs is ___ dan we hoopten. (hoog)