Learn Dutch
A2 · Adjectives & articles

-en adjectives in the comparative

Comparatives of satisfied, pleased, wrong and other -en words.

  1. Ik ben ___ met de nieuwe baan. (tevreden)
  2. Zij was ___ met het voorstel dan ik. (tevreden)
  3. De meningen van de buren zijn heel ___. (verschillend)
  4. Hij was ___ toen hij het nieuws hoorde. (opgetogen)
  5. Dat antwoord is ___ dan het juiste antwoord. (verkeerd)
  6. Mijn collega is ___ dan de rest van het team. (betrokken)
  7. Ik ben ___ met de uitkomst van de test. (ontevreden)
  8. Het is ___ om te wachten. (vervelend)
  9. Zij was ___ met het eten in het restaurant. (vergenoegd)
  10. Hij was ___ door haar verhaal. (overtuigd)
  11. Mijn vriendin is ___ over haar uitslag dan ik. (trots)
  12. De prijs is ___ dan we hoopten. (hoog)