A2 · Adjectives & articles
veel meer and veel minder
Saying a lot more or a lot less: veel meer tijd, veel minder werk.
- Ik heb deze week ___ tijd dan vorige week. (veel)
- Er was ___ werk deze maand. (veel)
- Mijn broer heeft ___ geduld dan ik. (veel)
- De prijzen zijn ___ gestegen dit jaar. (veel)
- Er zijn ___ mensen op de markt dan vorige week. (veel)
- Ik heb ___ gewerkt dan jij vandaag. (veel)
- De flat heeft ___ ruimte dan de oude. (veel)
- We hebben ___ problemen gehad met de computer. (veel)
- Deze film is ___ beter dan de vorige. (veel)
- Er is ___ verkeer op de snelweg dan in de stad. (veel)
- Mijn dochter heeft ___ geduld voor de puzzel. (veel)
- We kregen ___ hulp van de buren. (veel)