Learn Dutch
A2 · Adjectives & articles

veel meer and veel minder

Saying a lot more or a lot less: veel meer tijd, veel minder werk.

  1. Ik heb deze week ___ tijd dan vorige week. (veel)
  2. Er was ___ werk deze maand. (veel)
  3. Mijn broer heeft ___ geduld dan ik. (veel)
  4. De prijzen zijn ___ gestegen dit jaar. (veel)
  5. Er zijn ___ mensen op de markt dan vorige week. (veel)
  6. Ik heb ___ gewerkt dan jij vandaag. (veel)
  7. De flat heeft ___ ruimte dan de oude. (veel)
  8. We hebben ___ problemen gehad met de computer. (veel)
  9. Deze film is ___ beter dan de vorige. (veel)
  10. Er is ___ verkeer op de snelweg dan in de stad. (veel)
  11. Mijn dochter heeft ___ geduld voor de puzzel. (veel)
  12. We kregen ___ hulp van de buren. (veel)