A2 · Adjectives & articles
The adjective after the comparison
Comparatives with dan: sneller dan de trein, mooier dan het huis.
- De auto is ___ dan de trein. (snel)
- Mijn kamer is ___ dan het huis van Jan. (groot)
- Deze prijs is ___ dan vorig jaar. (hoog)
- De fiets rijdt ___ dan de bus. (snel)
- Mijn koffer is ___ dan jouw koffer. (zwaar)
- Deze woning is ___ dan die van de buren. (goedkoop)
- Mijn Nederlands is ___ dan dat van mijn broer. (goed)
- De telefoon is ___ dan het oude model. (goedkoop)
- De soep was ___ dan bij de andere kantine. (lekker)
- Deze jas is ___ dan de jas in de winkel. (duur)
- Hij legt het ___ uit dan de leraar. (goed)
- De tuin is ___ dan die van de overburen. (groot)