Learn Dutch
A2 · Adjectives & articles

The adjective after the comparison

Comparatives with dan: sneller dan de trein, mooier dan het huis.

  1. De auto is ___ dan de trein. (snel)
  2. Mijn kamer is ___ dan het huis van Jan. (groot)
  3. Deze prijs is ___ dan vorig jaar. (hoog)
  4. De fiets rijdt ___ dan de bus. (snel)
  5. Mijn koffer is ___ dan jouw koffer. (zwaar)
  6. Deze woning is ___ dan die van de buren. (goedkoop)
  7. Mijn Nederlands is ___ dan dat van mijn broer. (goed)
  8. De telefoon is ___ dan het oude model. (goedkoop)
  9. De soep was ___ dan bij de andere kantine. (lekker)
  10. Deze jas is ___ dan de jas in de winkel. (duur)
  11. Hij legt het ___ uit dan de leraar. (goed)
  12. De tuin is ___ dan die van de overburen. (groot)