A2 · Adjectives & articles
The adjective before the noun
Attributive adjectives: mijn oude fiets, een goede baan, de nieuwe woning.
- Mijn ___ fiets is helemaal kapot. (oud)
- Zij heeft een ___ baan gevonden. (goed)
- De ___ woning staat vlak bij het station. (nieuw)
- Ik zoek een ___ huis met een tuin. (groot)
- Deze ___ schoenen zijn te klein. (mooi)
- Onze ___ buurman werkt in het ziekenhuis. (oud)
- Hij heeft een ___ idee over het probleem. (goed)
- De ___ prijs is niet meer te betalen. (hoog)
- Dit is een ___ boek over geschiedenis. (interessant)
- Mijn ___ zus woont in Utrecht. (oud)
- We hebben een ___ tafel gekocht voor de keuken. (klein)
- De ___ kant is nog niet af. (druk)