Learn Dutch
A2 · Adjectives & articles

The adjective before the noun

Attributive adjectives: mijn oude fiets, een goede baan, de nieuwe woning.

  1. Mijn ___ fiets is helemaal kapot. (oud)
  2. Zij heeft een ___ baan gevonden. (goed)
  3. De ___ woning staat vlak bij het station. (nieuw)
  4. Ik zoek een ___ huis met een tuin. (groot)
  5. Deze ___ schoenen zijn te klein. (mooi)
  6. Onze ___ buurman werkt in het ziekenhuis. (oud)
  7. Hij heeft een ___ idee over het probleem. (goed)
  8. De ___ prijs is niet meer te betalen. (hoog)
  9. Dit is een ___ boek over geschiedenis. (interessant)
  10. Mijn ___ zus woont in Utrecht. (oud)
  11. We hebben een ___ tafel gekocht voor de keuken. (klein)
  12. De ___ kant is nog niet af. (druk)