A2 · Adjectives & articles
The comparative before a noun
A comparative with a noun: de grotere kamer, een betere woning.
- We nemen de ___ kamer, deze is te klein. (groot)
- Ik zoek een ___ woning met drie kamers. (goed)
- Hij heeft een ___ auto gekocht. (nieuw)
- We hebben een ___ huis gezien, maar het was te duur. (groot)
- Ze heeft een ___ jas nodig voor de winter. (warm)
- Kies de ___ prijs, dat scheelt geld. (laag)
- Ik wil een ___ versie van dit programma. (nieuw)
- Deze schoenen zijn ___ dan die van vorig jaar. (goedkoop)
- We zoeken een ___ kamer voor twee personen. (schoon)
- Neem het ___ menu, dat bevat meer gerechten. (groot)
- Mijn dochter heeft een ___ kamer dan haar broer. (groot)
- Hij verkoopt zijn ___ boek aan de bibliotheek. (goed)