Learn Dutch
A2 · Adjectives & articles

The comparative before a noun

A comparative with a noun: de grotere kamer, een betere woning.

  1. We nemen de ___ kamer, deze is te klein. (groot)
  2. Ik zoek een ___ woning met drie kamers. (goed)
  3. Hij heeft een ___ auto gekocht. (nieuw)
  4. We hebben een ___ huis gezien, maar het was te duur. (groot)
  5. Ze heeft een ___ jas nodig voor de winter. (warm)
  6. Kies de ___ prijs, dat scheelt geld. (laag)
  7. Ik wil een ___ versie van dit programma. (nieuw)
  8. Deze schoenen zijn ___ dan die van vorig jaar. (goedkoop)
  9. We zoeken een ___ kamer voor twee personen. (schoon)
  10. Neem het ___ menu, dat bevat meer gerechten. (groot)
  11. Mijn dochter heeft een ___ kamer dan haar broer. (groot)
  12. Hij verkoopt zijn ___ boek aan de bibliotheek. (goed)