A2 · Adjectives & articles
Past participles as adjectives
A broken leg, a closed shop, a found wallet.
- Hij heeft een ___ been en kan niet lopen. (gebroken)
- De winkel is al ___, hij komt morgen terug. (gesloten)
- De politie zoekt de ___ man van de foto. (verdwenen)
- Er ligt een ___ fiets in de sloot. (gevallen)
- Mijn raam is ___ door de wind. (gebroken)
- Hij heeft zijn ___ sleutels teruggevonden. (verloren)
- Dit is een ___ voorbeeld van goed Nederlands. (goed)
- De automatische deur is ___. (vergrendeld)
- Zij heeft een ___ been en zit in een rolstoel. (geamputeerd)
- Dit is de ___ versie van het contract. (getekend)
- Er is een ___ lek in het dak. (ontdekt)
- Mijn dochter heeft een ___ verhaal verteld. (verteld)