Learn Dutch
A2 · Adjectives & articles

Past participles as adjectives

A broken leg, a closed shop, a found wallet.

  1. Hij heeft een ___ been en kan niet lopen. (gebroken)
  2. De winkel is al ___, hij komt morgen terug. (gesloten)
  3. De politie zoekt de ___ man van de foto. (verdwenen)
  4. Er ligt een ___ fiets in de sloot. (gevallen)
  5. Mijn raam is ___ door de wind. (gebroken)
  6. Hij heeft zijn ___ sleutels teruggevonden. (verloren)
  7. Dit is een ___ voorbeeld van goed Nederlands. (goed)
  8. De automatische deur is ___. (vergrendeld)
  9. Zij heeft een ___ been en zit in een rolstoel. (geamputeerd)
  10. Dit is de ___ versie van het contract. (getekend)
  11. Er is een ___ lek in het dak. (ontdekt)
  12. Mijn dochter heeft een ___ verhaal verteld. (verteld)