Learn Dutch
A2 · Adjectives & articles

The -en past participle

Participles ending in -en: gekopen, gesproken, gevonden, gebleven.

  1. De auto is al ___. (kopen)
  2. De toespraak is al ___. (houden)
  3. Mijn portemonnee is ___. (vinden)
  4. We zijn in Amsterdam ___. (blijven)
  5. De thee is al ___. (drinken)
  6. Het boek is al ___. (lezen)
  7. De vergadering is al ___. (beginnen)
  8. Ik heb een ___ gemaakt. (fout)
  9. De fiets is al ___. (verkopen)
  10. Zij heeft het huis ___. (verhuren)
  11. Het hek is al ___. (sluiten)
  12. Ik heb het eten ___. (betalen)