A2 · Adjectives & articles
The -en past participle
Participles ending in -en: gekopen, gesproken, gevonden, gebleven.
- De auto is al ___. (kopen)
- De toespraak is al ___. (houden)
- Mijn portemonnee is ___. (vinden)
- We zijn in Amsterdam ___. (blijven)
- De thee is al ___. (drinken)
- Het boek is al ___. (lezen)
- De vergadering is al ___. (beginnen)
- Ik heb een ___ gemaakt. (fout)
- De fiets is al ___. (verkopen)
- Zij heeft het huis ___. (verhuren)
- Het hek is al ___. (sluiten)
- Ik heb het eten ___. (betalen)