Learn Dutch
A2 · Adjectives & articles

zeer + adjective

Very + adjective with zeer: zeer belangrijk, zeer mooi.

  1. Dit is een ___ belangrijke vergadering. (belangrijk)
  2. Mijn dochter zit in een ___ mooi huis. (mooi)
  3. De opdracht was ___ moeilijk voor mij. (moeilijk)
  4. Hij is een ___ betrouwbare collega. (betrouwbaar)
  5. De huurprijzen zijn ___ gestegen dit jaar. (hoog)
  6. Zij woont in een ___ klein dorp. (klein)
  7. Het was een ___ warme dag. (warm)
  8. De uitleg was ___ duidelijk. (duidelijk)
  9. We hebben een ___ leuke avond gehad. (leuk)
  10. Hij is ___ moe van de reis. (moe)
  11. De kamer is ___ klein, we passen er niet in. (klein)
  12. Zijn antwoord was ___ vervelend voor iedereen. (vervelend)