A2 · Adjectives & articles
zeer + adjective
Very + adjective with zeer: zeer belangrijk, zeer mooi.
- Dit is een ___ belangrijke vergadering. (belangrijk)
- Mijn dochter zit in een ___ mooi huis. (mooi)
- De opdracht was ___ moeilijk voor mij. (moeilijk)
- Hij is een ___ betrouwbare collega. (betrouwbaar)
- De huurprijzen zijn ___ gestegen dit jaar. (hoog)
- Zij woont in een ___ klein dorp. (klein)
- Het was een ___ warme dag. (warm)
- De uitleg was ___ duidelijk. (duidelijk)
- We hebben een ___ leuke avond gehad. (leuk)
- Hij is ___ moe van de reis. (moe)
- De kamer is ___ klein, we passen er niet in. (klein)
- Zijn antwoord was ___ vervelend voor iedereen. (vervelend)