Learn Dutch
A2 · Adjectives & articles

erg + adjective

Very + adjective with erg: erg duur, erg leuk, erg moe.

  1. Die jas is ___ duur voor mij. (duur)
  2. Wat een ___ mooi uitzicht! (mooi)
  3. Ik ben ___ moe na de reis. (moe)
  4. Het was ___ leuk om je te zien. (leuk)
  5. De opdracht is ___ moeilijk voor beginners. (moeilijk)
  6. We hebben ___ veel werk deze week. (veel)
  7. Haar idee was ___ goed. (goed)
  8. Hij was ___ boos over het antwoord. (boos)
  9. De prijs is ___ hoog dit jaar. (hoog)
  10. Mijn Nederlands is ___ moeilijk voor mij. (moeilijk)
  11. De sfeer was ___ gezellig. (gezellig)
  12. Ik heb ___ zin om te wandelen. (veel)