Learn Dutch
A2 · Adjectives & articles

al + adjective

al het werk, al mijn boeken, al de mensen.

  1. ___ het werk is klaar, we kunnen gaan. (al)
  2. ___ mijn boeken liggen op de tafel. (al)
  3. ___ de mensen in de winkel zijn nieuwsgierig. (al)
  4. ___ de huizen aan de gracht zijn oud. (al)
  5. ___ het eten smaakt heel goed. (al)
  6. Ik heb ___ mijn geld uitgegeven. (al)
  7. ___ de straten zijn met sneeuw bedekt. (al)
  8. ___ het gras is al gemaaid. (al)
  9. ___ de kinderen spelen buiten. (al)
  10. ___ mijn spullen liggen nog op de bank. (al)
  11. ___ de afspraken staan in de agenda. (al)
  12. ___ het werk is vandaag af. (al)