A2 · Adjectives & articles
al + adjective
al het werk, al mijn boeken, al de mensen.
- ___ het werk is klaar, we kunnen gaan. (al)
- ___ mijn boeken liggen op de tafel. (al)
- ___ de mensen in de winkel zijn nieuwsgierig. (al)
- ___ de huizen aan de gracht zijn oud. (al)
- ___ het eten smaakt heel goed. (al)
- Ik heb ___ mijn geld uitgegeven. (al)
- ___ de straten zijn met sneeuw bedekt. (al)
- ___ het gras is al gemaaid. (al)
- ___ de kinderen spelen buiten. (al)
- ___ mijn spullen liggen nog op de bank. (al)
- ___ de afspraken staan in de agenda. (al)
- ___ het werk is vandaag af. (al)