A2 · Adjectives & articles
nog + adjective
nog een belangrijke taak, nog twee weken, nog niet klaar.
- We hebben nog ___ belangrijke taak voor vrijdag. (belangrijk)
- Het is nog ___ klaar, we hebben tijd. (niet)
- Ik heb nog ___ vraag over de opdracht. (één)
- We hebben nog ___ weken tot de vakantie. (twee)
- Er is nog ___ werk over. (veel)
- Hij is nog ___ bezig met het verslag. (steeds)
- We hebben nog ___ tijd voor de vergadering. (genoeg)
- De prijs is nog ___ duur. (te)
- Er staat nog ___ melk in de koelkast. (een)
- Ik moet nog ___ huiswerk maken voor morgen. (veel)
- We nemen nog ___ bakker mee. (een)
- Het is nog ___ duidelijk wat er moet gebeuren. (niet)