Learn Dutch
A2 · Adjectives & articles

nog + adjective

nog een belangrijke taak, nog twee weken, nog niet klaar.

  1. We hebben nog ___ belangrijke taak voor vrijdag. (belangrijk)
  2. Het is nog ___ klaar, we hebben tijd. (niet)
  3. Ik heb nog ___ vraag over de opdracht. (één)
  4. We hebben nog ___ weken tot de vakantie. (twee)
  5. Er is nog ___ werk over. (veel)
  6. Hij is nog ___ bezig met het verslag. (steeds)
  7. We hebben nog ___ tijd voor de vergadering. (genoeg)
  8. De prijs is nog ___ duur. (te)
  9. Er staat nog ___ melk in de koelkast. (een)
  10. Ik moet nog ___ huiswerk maken voor morgen. (veel)
  11. We nemen nog ___ bakker mee. (een)
  12. Het is nog ___ duidelijk wat er moet gebeuren. (niet)