A2 · Adjectives & articles
echt + adjective
Really + adjective with echt: echt waar, echt moeilijk.
- Is dat ___ waar? (echt)
- Deze opdracht is ___ moeilijk voor beginners. (echt)
- Het was een ___ mooie avond. (echt)
- Ik vond het ___ vervelend dat je niet kwam. (echt)
- Dat is een ___ goede vriend van me. (echt)
- De prijs is ___ te hoog voor ons. (echt)
- Ik ben ___ moe van al het wachten. (echt)
- Het was ___ leuk om weer te praten. (echt)
- Dat is ___ raar, ik begrijp het niet. (echt)
- Er was ___ weinig belangstelling voor de lezing. (echt)
- Je hebt ___ gelijk, het is mijn fout. (echt)
- De woning is ___ klein voor vier personen. (echt)