Learn Dutch
A2 · Adjectives & articles

echt + adjective

Really + adjective with echt: echt waar, echt moeilijk.

  1. Is dat ___ waar? (echt)
  2. Deze opdracht is ___ moeilijk voor beginners. (echt)
  3. Het was een ___ mooie avond. (echt)
  4. Ik vond het ___ vervelend dat je niet kwam. (echt)
  5. Dat is een ___ goede vriend van me. (echt)
  6. De prijs is ___ te hoog voor ons. (echt)
  7. Ik ben ___ moe van al het wachten. (echt)
  8. Het was ___ leuk om weer te praten. (echt)
  9. Dat is ___ raar, ik begrijp het niet. (echt)
  10. Er was ___ weinig belangstelling voor de lezing. (echt)
  11. Je hebt ___ gelijk, het is mijn fout. (echt)
  12. De woning is ___ klein voor vier personen. (echt)