Learn Dutch
A2 · Adjectives & articles

het is ... die

Emphasising with het is ... die: het zijn de buren die klonteren.

  1. Het zijn de ___ buren die klonteren. (lawaaierig)
  2. Het is mijn ___ broer die hier woont. (oud)
  3. Het zijn de ___ prijzen die het probleem zijn. (hoog)
  4. Het is een ___ idee dat we dat doen. (dom)
  5. Het zijn de ___ mensen die altijd klagen. (tevreden)
  6. Het is op de ___ dag dat we het horen. (laat)
  7. Het zijn de ___ cijfers die telkens terugkomen. (goed)
  8. Het is mijn ___ collega die dat doet. (oud)
  9. Het zijn de ___ gasten die het langst bleven. (vriendelijk)
  10. Het is de ___ prijs die ik niet kan betalen. (hoog)
  11. Het is op de ___ plek dat we elkaar ontmoetten. (mooi)
  12. Het zijn de ___ dagen dat het het hardst regent. (warm)