A2 · Adjectives & articles
het is ... die
Emphasising with het is ... die: het zijn de buren die klonteren.
- Het zijn de ___ buren die klonteren. (lawaaierig)
- Het is mijn ___ broer die hier woont. (oud)
- Het zijn de ___ prijzen die het probleem zijn. (hoog)
- Het is een ___ idee dat we dat doen. (dom)
- Het zijn de ___ mensen die altijd klagen. (tevreden)
- Het is op de ___ dag dat we het horen. (laat)
- Het zijn de ___ cijfers die telkens terugkomen. (goed)
- Het is mijn ___ collega die dat doet. (oud)
- Het zijn de ___ gasten die het langst bleven. (vriendelijk)
- Het is de ___ prijs die ik niet kan betalen. (hoog)
- Het is op de ___ plek dat we elkaar ontmoetten. (mooi)
- Het zijn de ___ dagen dat het het hardst regent. (warm)