Learn Dutch
A2 · Adjectives & articles

goed genoeg

Good enough: goed genoeg, snel genoeg, oud genoeg.

  1. Deze prijs is ___ genoeg voor ons. (goed)
  2. Mijn Nederlands is nog niet ___ genoeg voor die baan. (goed)
  3. Deze fiets is ___ genoeg om mee te rijden. (goed)
  4. We hebben niet ___ genoeg tijd voor de vergadering. (goed)
  5. Is de batterij ___ genoeg voor de hele dag? (goed)
  6. Hij is ___ genoeg om alleen te wonen. (oud)
  7. De verbinding is niet ___ genoeg voor videobellen. (snel)
  8. Deze deur is ___ genoeg om binnen te komen. (breed)
  9. Is je Nederlands al ___ genoeg om te solliciteren? (goed)
  10. Het eten smaakt niet ___ genoeg voor de gasten. (goed)
  11. Deze kast is ___ genoeg om alle jassen te bevatten. (groot)
  12. Het is al ___ genoeg, je kunt nu gaan. (laat)