Learn Dutch
A2 · Adjectives & articles

al mijn and al onze

All my, all our: al mijn boeken, al onze plannen.

  1. ___ boeken liggen op de vloer. (al mijn)
  2. ___ plannen voor de vakantie zijn klaar. (al onze)
  3. We moeten ___ spullen nog inpakken. (al onze)
  4. Hij heeft ___ geld gespaard. (al zijn)
  5. Zij heeft ___ excuses klaar. (al haar)
  6. Ik moet ___ werk nog doen vandaag. (al mijn)
  7. We hebben ___ problemen opgelost. (al onze)
  8. Jullie mogen ___ spelen, het is vakantie. (al)
  9. ___ leerlingen hebben de test gemaakt. (al)
  10. Mijn oma heeft ___ verhalen over vroeger. (al haar)
  11. We hebben ___ tijd nodig voor de opleiding. (al onze)
  12. ___ kinderen spelen in de tuin. (al)